Over het Sociaal Fonds 323

Sociale fondsen (of fondsen voor bestaanszekerheid) zijn sociale zekerheidsinstellingen die werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen oprichten in de schoot van de paritaire comités. Dit is geregeld door de Wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid. Zowel het oprichten als latere wijzigingen aan de statuten worden vastgelegd in CAO’s. (Deze CAO's werden gecoördineerd in de CAO van 6 november 2008).  Net als alle andere CAO’s zijn deze vanaf ondertekening bindend voor de ondertekenende partijen, maar worden door de Koning algemeen bindend verklaard.

De voornaamste doelen van deze fondsen zijn

  • het financieren, toekennen en uitkeren van sociale voordelen;
  • het financieren en organiseren van de vakopleiding van de werknemers en van de jongeren;
  • het financieren en verzekeren van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in het algemeen.

De financiering van deze fondsen gebeurt door bijdragen die de werkgevers van de sector betalen aan het fonds. In de meeste gevallen is het de RSZ die deze bijdragen int, en de bedragen van deze bijdragen worden eveneens vastgelegd bij CAO.

De voordelen die door deze sectorale fondsen worden toegekend, verschillen van sector tot sector en maken het voorwerp uit van sectoraal overleg (op het niveau van het Paritair Comité). Voor de sector “323” (Beheer van gebouwen, vastgoedmakelaars en dienstboden) zijn deze.

  • eindejaarspremie voor arbeiders
  • vakopleiding
  • syndicale premie 
  • brugpensioen

De financiering van de fondsen voor bestaanszzekerheid gebeurt door bijdragen, te betalen door de werkgevers die vallen onder de statuten van het fonds. De inning van de bijdragen kan rechtstreeks gebeuren door het fonds zelf of via de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Voor meer informatie verwijzen naar de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.