Overzicht van de sectorale akkoorden ..

Beroepsindeling

Om het barema te bepalen wordt met volgende indeling rekening gehouden:

  • groep 1: bedienden  Ă  4 categorieĂ«n
  • groep 2: arbeiders  Ă  3 categorieĂ«n
  • groep 3: huisbewaarders met een arbeidsovereenkomst voor bedienden  Ă  4 categorieĂ«n
  • groep 3: huisbewaarders met een arbeidsovereenkomst voor werklieden  Ă  3 categorieĂ«n
  • groep 4: dienstboden Ă  3 categorieĂ«n

De groep en de categorie worden bepaald op basis van de effectief uitgeoefende functie.

De belangrijkste variabelen in deze beroepsindeling zijn de complexiteit van het werk en de fysieke belasting ervan.

De kennis van een extra taal kan aanleiding geven tot een verandering van categorie.

Het scholingsniveau kan alleen bij aanvang van de loopbaan in acht genomen worden.

Lonen en wedden

Klik hier voor de overzichtstabel met barema’s geldig op 01/01/2012.

De barema’s binnen PC 323 werden op 1 januari 2010 aangepast, in overeenstemming met de bepalingen van de Europese richtlijn 2007/78/EG. Die verbiedt discriminatie, ook op basis van leeftijd. De lonen worden daarom niet langer uitgedrukt in functie van de leeftijd van de werknemers, maar in functie van hun ervaring. Belangrijk om weten, is dat de overstap naar dit nieuwe systeem geen aanleiding mocht geven tot een verlaging van het barema voor wie al in dienst was.

Een samenvatting van de specificaties per werknemerscategorie vindt u hieronder.

De barema’s werden op 1 januari 2012 geïndexeerd met 3,17 %, en alle barema’s van categorie 1 voor zowel arbeiders, bedienden als dienstboden werden verhoogd met 0,3 %, zoals bepaald in de CAO van 23 juni 2011.

Carenzdag

Vanaf 1 januari 2010 wordt de carenzdag afgeschaft voor alle arbeiders die een anciënniteit van 5 jaar hebben in het bedrijf waar ze werkzaam zijn. 

Klein verlet

Vakantie met behoud van loon voor bepaalde gebeurtenissen in familiale kring. (niet uitputtende lijst)
Opgelet: voor al deze vakantiedagen moeten termijnen gerespecteerd worden!

  • 1 dag vrij voor:
    - huwelijk van een kind *
    - overlijden van een broer of zuster 
    - plechtige communie (of feest van de vrijzinnige jeugd) van een kind *
    - een familieraad bijeengeroepen door de vrederechter.
  • 2 dagen vrij voor: 
    - overlijden van een broer of zuster die onder het zelfde dak woont
  • 3 dagen vrij voor:
    - huwelijk
    - overlijden van echtgeno(o)t(e) **
  • 3 dagen + 7 dagen vrij voor: 
    - geboorte of adoptie ***

De volledige lijst en de te respecteren termijnen vindt u in de CAO “klein verlet”.

* Aangenomen of erkende kinderen worden gelijkgesteld

** Wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld

***3 dagen ten laste van de werkgever, 7 dagen ten laste van het ziekenfonds

Indexering

De loonsindexering gebeurt eenmaal per jaar, op 1 januari. De coëfficiënt om de verhoging toe te passen is bepaald in de in de CAO van 8 oktober 2009 en wordt berekend aan de hand van de hiernavolgende breuk:

gemiddelde van de afgevlakte indexen van november en december J-1
gemiddelde van de afgevlakte indexen van november en december J-2

De indexen worden gepubliceerd door de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. De afgevlakte index waarop de loonsindexering gebaseerd is, is het viermaandelijks gemiddelde van de gezondheidsindex.

Als het resultaat van die vergelijking zou betekenen dat de lonen moeten dalen (negatieve indexering), dan wordt de aanpassing niet doorgevoerd, maar wordt die het jaar daarop verrekend. Op 1 januari 2010 was er zo een negatieve indexering, die op 1 januari 2011 verrekend werd.

Het resultaat van die breuk voor 1 januari 2012 geeft een coëfficiënt van 1, 0317. Dit betekent dat, om het loon van januari 2012 te kennen, het loon van december 2011 vermenigvuldigd moet worden met 1,0317.
Een stijging met 3,17 % dus.

Bijdrage in de vervoerskosten

voor openbaar vervoer

  • sinds 01/01/2007: 80 % ten laste van de werkgever
  • sinds 01/01/2008: 90 % ten laste van de werkgever
  • van 01/01/2009 af : 100% ten laste van de werkgever

voor eigen vervoer 

  • enkel van toepassing voor bruto inkomens van ≤ 20.000 € / jaar
  • enkel van toepassing afstanden ≥ 3 km
  • ten laste van de werkgever: 50 % van het tarief van het openbaar vervoer voor een zelfde afstand

Arbeidsduur

arbeiders en bedienden

  • principe: 38 uren / week (wet van 16 maart 1971)
  • flexibele uurroosters:
    - 38 uur/week niet overschrijden op jaarbasis
    - maximum + 1 uur / dag
    - maximum + 5 uur / week
  • nieuwe arbeidsregimes: (wet van 17 maart 1987 + CAO n° 45 van de NAR)
    - deze principes zijn enkel van toepassing op AO van onbepaalde duur
    - maximum 12 uur / dag
    - gemiddelde van 38 uur / week
    - over recuperatie wordt in onderling overleg beslist
  • nieuwe arbeidsregimes: verhoogde flexibiliteit voor:
    - badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra
    - 10 uur / dag (4 dagen / week)
    - 12 uur / dag (3 dagen / week)
    - zondag- en feestdagenarbeid (compensatie binnen de 6 dagen)

huisbewaarders

  • principe: 38 uur / week
    - hetzij 38 uur effectieve arbeid / week
    - hetzij 39 uur / week met 6 compensatiedagen per jaar
    - hetzij 40 uur / week met 12 compensatiedagen per jaar
    - dagprestaties moeten vermeld zijn in de AO
  • verplichte aanwezigheid (permanentie)
    - ≤ 20 % van de arbeidstijd en te vermelden in de AO
    - indien het contract < 30 uur effectieve arbeid voorziet, dan zijn
    permanenties betaald Ă  33 %
    - indien het contract ≥ 30 uur effectieve arbeid voorziet, gecumuleerde
    inkomsten (arbeid + permanenties) ≥ GGMMI
    - de gecumuleerde prestaties (arbeid + permanentie) ≤  gekozen regime

Outplacement

1. Verplicht outplacement voor werknemers ouder dan 45 jaar (CAO 82bis van de NAR).

De werkgever die een werknemer van 45 jaar ontslaat is er volgens CAO 82bis van de NAR toe gehouden de ontslagen werknemer een outplacementbegeleiding aan te bieden die voldoet aan de voorwaarden opgesomd in die CAO. Er wordt hierbij uitzondering gemaakt voor werknemers die:

  • de brugpensioenleeftijd bereikt zullen hebben op het einde van de vooropzeg
  • de pensioenleeftijd bereikt zullen hebben op het einde van de vooropzeg
  • minder dan 14 uur per week werken
  • ontslagen worden om dringende reden
  • minder dan één jaar anciĂ«nniteit in het bedrijf hebben

Binnen het toepassingsgebied van CAO 82bis neemt het sociaal fonds zowel de financiering als de organisatie van outplacement op zich.

2. Outplacement in het kader van het relanceplan "herstel het vetrouwen" van de Vlaamse Regering

Voor slachtoffers van de huidige economische crisis, die buiten het toepassingsgebied van CAO 82bis vallen en woonachtig zijn in Vlaanderen, kan het fonds een outplacementbegeleiding aanbieden met de steun van de Vlaamse overheid. 

Stuur uw vragen en aanvragen meteen naar outplacement[at]sf323.be .

2de Pensioenpijler

Sinds 1 april 2010 is het sectoraal aanvullend pensioenplan van kracht. Alle werkgevers hebben sinds dan en tot en met december 2011 per voltijdse werknemer een bedrag van 20 € per maand betaald. Die bedragen werden toegewezen aan de individuele rekeningen van de werknemers. De reserves die op die manier opgebouwd worden, worden uitgekeerd op het moment dat iemand met pensioen gaat. Dit forfaitair bedrag wordt met ingang van 1 januari 2012 opgetrokken tot 2 % van het brutoloon. De andere principes van het pensioenplan blijven gelden zoals bij de invoering ervan.

Meer informatie hierover vindt u op de pagina’s over de 2de pensioenpijler en in de CAO van 25 oktober 2011 ter invoering van een sociaal sectoraal pensioenplan.

Brugpensioen

De bruggepensioneerde werknemer is werkloos, en geniet werkloosheidsuitkeringen. Daarom is het statuut van bruggepensioneerde enkel mogelijk indien de werknemer ontslagen wordt door de werkgever, en niet wanneer de werknemer zelf ontslag neemt. Voor de algemene regelgeving rond brugpensioenen verwijzen we dan ook naar de RVA, naar een erkende vakbond (ACV, ABVV of ACLVB), naar HVW voor wie niet bij een vakbond aangesloten is, of naar het sociaal secretariaat voor werkgevers. Alle formaliteiten rond brugpensioen moeten met die instellingen besproken en afgehandeld worden, en niet met het sociaal fonds.

Bij een brugpensioen wordt er bovenop de werkloosheidsvergoeding een aanvullende vergoeding betaald door de werkgever.  In de gevallen die hieronder opgesomd worden kan het Sociaal Fonds voor de Vastgoedsector de kost van het brugpensioen op zich nemen.

Conventioneel brugpensioen op 60 jaar (CAO van 17 februari 2011)

Voorwaarden van toepassing tot 31/12/2011

- de leeftijd van 60 jaar bereikt hebben
- vrouwen moeten een beroepsverleden van 26 jaar kunnen aantonen
- mannen moeten een beroepsverleden van 30 jaar kunnen aantonen
- geen sectorale anciënniteit vereist

Voorwaarden van toepassing van 01/01/2012 tot 31/12/2013

- de leeftijd van 60 jaar bereikt hebben
- vrouwen moeten een beroepsverleden van 28 jaar kunnen aantonen
- mannen moeten een beroepsverleden van 35 jaar kunnen aantonen
- geen sectorale anciënniteit vereist


Conventioneel brugpensioen op 58 jaar (CAO van 17 februari 2011)

Voorwaarden van toepassing tot 31/12/2011

- de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben
- vrouwen moeten een beroepsverleden van 33 jaar kunnen aantonen
- mannen moeten een beroepsverleden van 37 jaar kunnen aantonen
- geen sectorale anciënniteit vereist

Voorwaarden van toepassing van 01/01/2012 tot 31/12/2013

- de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben
- vrouwen moeten een beroepsverleden van 35 jaar kunnen aantonen
- mannen moeten een beroepsverleden van 38 jaar kunnen aantonen
- geen sectorale anciënniteit vereist


Brugpensioen op 56 jaar mits lange loopbaan (CAO van 11 juni 2010)

toegankelijk voor wie 56 jaar is, 40 jaar beroepsverleden als loontrekkende kan aantonen, en daarbij kan aantonen dat minstens 78 dagen daarvan gepresteerd werden voor zijn/haar 17de verjaardag. Geldig tot 31/12/2011.